Een mysterieuze verdwijning Terug naar China. Terwijl Von
Koenigswald in Beijing was werd de dreiging van het Japanse
offensief steeds sterker. Zij maakten daarbij handig gebruik van
de tweedeling in China de interne strijd tussen de nationalisten
van Tjsang Kai-sjek en de communisten van Mao Tse-toeng.
Het veldwerk in Zhoukoudian werd om deze reden gestopt en
Weidenreich maakte al plannen om China te verlaten. Von
Koenigswald keerde terug naar Java en bleef daar veldwerk doen.
In 1941 werd het Weidenreich te heet onder de voeten. Als Jood
was terugkeer naar Duitsland geen optie. Hij aanvaarde een
positie als gastdocent bij het American Museum of Natural
History in New York en vertrok. Voor zijn vertrek had
Weidenreich nog wel alle fossielen gefotografeerd en nauwkeurig
beschreven. Hij liet zijn assistent Hu Chengzhi afgietsels maken
van de fossielen die hij meenam naar Amerika. De fossielen zelf
nam hij niet mee, het plan was om deze via de Amerikaanse
ambassade naar Amerika te laten vervoeren.
De fossielen verlieten Beijing op 5 december 1941 onder
begeleiding van een groep Amerikaanse mariniers. 7 december
zouden zij China verlaten aan boord van de S.S. President
Harrison. Mensen die de geschiedenis een beetje kennen zullen
deze datum herkennen, op 7 december 1941 viel Japan de
Amerikaanse vloot in Pearl Harbor aan, daarmee Amerika de oorlog
verklarend. Diezelfde dag werden de mariniers gevangen genomen.
Sindsdien is er nooit meer iets van de Pekingmens fossielen
vernomen.
Waar de fossielen zijn gebleven is een raadsel. De Japanners
hadden ze kennelijk niet, zij deden na de arrestatie van de
mariniers verwoede pogingen om de fossielen te vinden. Ze
doorzochten het PUMC en de Amerikaanse ambassade, zonder
resultaat. De S.S. President Harrison heeft rechtsomkeer gemaakt
zonder af te meren in China, ze kunnen dus niet aan boord
gesmokkeld zijn. De meest wilde geruchten doen de ronde over het
lot van de fossielen, maar alle zoektochten en uitgeloofde
beloningen voor de gouden tip ten spijt, de fossielen zijn
nooit meer teruggevonden.
Terwijl Weidenreich in New York zat was Von Koenigswald nog
steeds op Java. Hij werd er door de Japanners gevangen genomen
en verbleef de rest van de oorlog in een gevangenkamp.
Na de oorlog Na de capitulatie van de Japanners kwam Von
Koenigswald vrij. Weidenreich spoorde hem op en zorgde er in
1946 voor dat Von Koenigswald naar New York kwam. Intussen
zochten de geallieerden in Tokio alle musea en universiteiten af
op zoek naar de Peking mens fossielen. Ze vonden ze niet, maar
wel vonden ze een van de schedels van Von Koenigswald die, zo
bleek, als verjaardagscadeau naar de Japanse keizer was
gestuurd. Weidenreich had tijdens de oorlog niet stil gezeten.
Hij had zijn uitgebreide beschrijving van de Peking mens
fossielen afgerond en was bezig met een theorie over de
ontwikkeling van Homo sapiens. Weidenreichs theorie stelde dat
Homo sapiens niet op een plaats ontstaan was, maar dat de
verschillende rassen die we vandaag kennen op verschillende
plaatsen waren geëvolueerd. Pithecantropus zag Weidenreich als
de voorouder van de Aziatische rassen. Hij stelde dan ook dat de
Pithecanthropus fossielen eigenlijk tot het geslacht Homo
behoorden. Hij noemde ze dan ook vanaf dar moment Homo erectus,
de naam die we nu nog steeds hanteren. Weidenreichs theorie
vormt de basis van wat we tegenwoordig de Multi Regionality
theorie noemen.
Na de oorlog werden er in Zhoukoudian weinig vondsten meer
gedaan. De gloriedagen van de grot waren voorbij. Weidenreich
stierf in 1948 op 75 jarige leeftijd.
The Flower People In de jaren vijftig werd een van de meest
opmerkelijke Neanderthal vondsten gedaan. In de Shanidar grot
uitkijkend op de Zab rivier in het noorden van Irak vond een
team onder leiding van Ralph Solecki de fossielen van negen
individuen.
Een van de Neanderthalers, Shanidar I, had een onderontwikkeld
schouderblad. Dat betekent dat deze man van kinds af aan zijn
rechterarm niet kon gebruiken. Ook was deze man blind aan zijn
linkeroog en had hij last van reuma. Shanidar I was ongeveer 40
jaar oud toen hij overleed en dat is ontzettend oud voor een
Neanderthaler, vergelijkbaar met iemand van 80 vandaag de dag.
Het was duidelijk dat deze arme Neanderthaler niet voor zichzelf
kon zorgen. Hij was dus afhankelijk van de steun van zijn
familie om te kunnen overleven.
Onder het lichaam van een ander individu werd stuifmeel
gevonden. De hoeveelheid stuifmeel was zodanig dat het niet per
toeval in het graf terecht zou kunnen zijn gekomen. Solecki zag
hierin het bewijs dat de familie van deze persoon bloemen in het
graf had gelegd. In de media werden de Shanidar Neanderthalers
meteen de Flower people genoemd. Flower Power zon 50.000 jaar
geleden.
Uit nader onderzoek bleek dat veel van de organische resten in
het graf afkomstig waren van bloemen en planten die we
tegenwoordig in medicijnen gebruiken.. Zou het kunnen dat de
Neanderthalers op de hoogte waren van de mogelijke medicinale
toepassingen van deze bloemen en planten?
Hoewel er aan de bloemen theorie tegenwoordig getwijfeld wordt,
geeft de Shanidar vondst ons wel een heel ander beeld van de
Neanderthalers. Het oude beeld van de Neanderthaler als een
domme bruut werd vervangen door een veel menselijker plaatje. De
Neanderthalers zorgden voor elkaar, rouwden om hun doden en
hadden mogelijk zelfs begrafenis rituelen.
Niah Cave Tom Harrisson kwam voor het eerst op Borneo tijdens de
Tweede Wereld Oorlog. Hij werd als lid van de Engelse SOE
(Special Operations Executive) gedropt in de oerwouden van de
Sarawak regio om daar onder de lokale bevolking een gewapende
opstand te organiseren. Harrisson terroriseerde gedurende de
rest van de oorlog, met een ondergronds legertje inheemse
rebellen en zeer beperkte middelen, het Japanse bezettingsleger.
Na de oorlog bleef Harrisson in Sarawak, dat in het Maleisische
deel van Borneo ligt. Hij werd er curator van het Sarawak
museum. Harrisson beschouwde zijn functie als curator niet als
een kantoorbaantje. Hij trok er op uit om opgravingen te doen.
In 1957 begon hij opgravingen in de Niah grot. De Niah grot
heeft een enorme omvang, de vloeroppervlakte is ongeveer 10
hectare en het plafond is op sommige plaatsen 75 meter hoog.
De Niah grot stond bekend als een oude begraafplaats, de oudste
graven die Harrisson vond waren ongeveer 4000 jaar oud waren.
Het team van Harrisson groef diverse diepe putten. Onder in een
van deze putten werd een schedel gevonden. Op ongeveer dezelfde
diepte vond men ook stenen werktuigen en de as van een kampvuur.
De as kon door middel van Radiokoolstof datering worden
gedateerd op 40.000 jaar oud. Harrison was echter geen
professionele archeoloog en hij had moeite met het dateren van
de diverse statiegrafische lagen. Harrissons datering was veel
vroeger dan die van moderne mensen in Europa en werd daarom
eerst niet geaccepteerd. Tegenwoordig is de datering veel minder
controversieel, alhoewel het door Harrissons techniek, het
graven van diepe putten, nog steeds met moderne technieken niet
mogelijk is de datering onafhankelijk van de as te verifiëren.
De jaren '60 en '70 De jaren 60 en 70 werden grotendeels
gedomineerd door vondsten uit Afrika, maar ook in Azië werden er
fossielen gevonden. Zo ontdekte de Indonesische paleontoloog
Sastrohamidjojo Sartono in 1969 de vrij complete schedel
Sangiran 17. De schedel lijkt op de eerdere Java mens fossielen,
maar is veel robuuster. Mogelijk gaat het hier om een man en
zijn de eerder gevonden fossielen van vrouwen. De robuustheid
van de botten wordt door de aanhangers van de Multi-regionality
theorie vaak vergeleken met de botten van de huidige Aboriginals
in Australië. Zij zien Sangiran 17 als de voorouder van deze
moderne populatie.
Naast deze nieuwe Java mens, waren er ook toevoegingen aan de
Peking mens collectie. In 1966 werd er opnieuw in Zhoukoudian
een schedeldak gevonden. Uit later onderzoek bleek dit fossiel
te behoren bij een van de oorspronkelijke Peking mens fossielen,
waar nu natuurlijk alleen nog maar afgietsels van zijn.
In 1978 werd in Dali, in de Chinese Shaanxi provincie een
gedeeltelijke schedel gevonden. De schedel was vervormd en
beschadigd in de honderdduizenden jaren dat het in de grond had
gelegen, maar had duidelijk moderne trekken. De Dali schedel
heeft een prominente wenkbrauwboog en een vrij lange hersenpan,
hij roept daarbij een vergelijking op met een schedel uit Kabwe,
Zambia die tegenwoordig tot Homo heidelbergensis wordt gerekend.
Gedurende jaren 60 en 70 werden er op veel meer plaatsen in
China menselijke fossielen gevonden, maar deze zijn in veel
gevallen fragmentarisch en slecht beschreven.
Amud en Kebara In 1961 in de
Israëlische grot Amud een vrij
compleet skelet van een Neanderthaler werd gevonden. Het ging om
een reus voor Neanderthal begrippen: 1,74 meter lang. Amud I,
zoals het skelet wordt aangeduid is daarmee met gemak de langste
Neanderthaler die ooit gevonden is en met zijn 40.000 jaar oud,
een van de jongste Neanderthal fossielen die tot nu toe in het
Midden-Oosten gevonden is.
Tegenwoordig spreekt men van twee variaties bij de
Neanderthalers. Aan de ene kant heb je de klassieke
Neanderthalers uit Europa, met een zeer gedrongen postuur en een
dikke wenkbrauwboog. Aan de andere kant heb je de Neanderthalers
uit het Midden-Oosten die wat slanker gebouwd zijn, minder dikke
wenkbrauwboog en een duidelijke kin. De laatste groep wordt als
meer ontwikkeld gezien.
Zon twintig jaar na de vondst van de Amud fossielen werd in
Kebara, eveneens in Israël een skelet gevonden. Het skelet is op
de schedel en de onderbenen na bijna compleet. Moshe, zoals het
skelet genoemd wordt is zelfs het meest complete skelet van
Neanderthaler dat ooit gevonden is. Wat heel bijzonder is, is
dat het tongbeen van dit individu bewaard gebleven is. Het
tongbeen is een stukje bot wat aan de basis van de tong gelegen
is en wat zeer belangrijk is bij spraak. Het tongbeen van Moshe
lijkt erg veel op dat van moderne mensen. Het is dus heel goed
mogelijk dat hij en natuurlijk de andere Neanderthalers konden
spreken. Dit betekent echter niet automatisch dat de
Neanderthalers ook taal hadden en net zo communiceerden als wij.
Wetenschappers achten dat niet waarschijnlijk. Toch wijst de
Kebara vondst er op dat Neanderthalers erg veel op ons lijken.
Dmanisi In 1936 begonnen er opgravingen in het middeleeuwse stadje Dmanisi in Georgië. Dmanisi lag op een kruispunt van de zijderoutes waarlangs eeuwen lang goederen werden verscheept tussen Azië en Europa. Het doel van de opgravingen was dan ook om van die periode in de Georgische geschiedenis meer te weten te komen. In de loop der jaren werden er ook fossielen gevonden. In 1983 herkende een paleontoloog een van deze fossielen als dat van een uitgestorven neushoorn soort: Dicerorhinus etruscus etruscus. Dat betekent dat er lagen waren ontdekt uit het vroege Pleistoceen (2 1,5 miljoen jaar oud). Het volgende jaar werden stenen werktuigen gevonden. Na het uiteenvallen van de Sovjet Unie in 1991 kreeg het Georgische team steun vanuit het westen. In de tien jaar daar op werden er steeds meer fossielen gevonden. In eerste instantie werden deze fossielen in Homo erectus geplaatst. Vooral na de vondst van een nieuwe schedel in 2001 concludeerde het team dat de fossielen afwijken van Homo erectus. Op de site van het team plaatsen zij de fossielen nu in Homo ergaster, maar wellicht gaat het hier om een nieuwe soort.
De huidige stand van zaken Samenvattend zijn er, naast Homo
sapiens, in Azië drie verschillende menselijke soorten gevonden.
In Israël vinden we in Tabun, Amud en Kebara Neanderthalers. Op
datzelfde moment leefden er ook moderne mensen in Israël en het
is dus goed mogelijk dat de twee menselijke soorten elkaar
tegenkwamen. Uit de Kebara vondst blijkt dat deze Neanderthalers
konden spreken, dat is echter niet hetzelfde als het hebben van
een taal. Wetenschappers achten het niet waarschijnlijk dat
Neanderthalers taal hadden.
De Israëlische Neanderthalers zijn van het progressieve soort,
dat wil zeggen dat ze minder gedrongen en robuust zijn dan hun
Europese, klassieke, soortgenoten. Deze zelfde Neanderthalers
vinden we terug in Irak, in Shanidar. De Shanidar vondsten geven
ons een blik in de wereld van de Neanderthalers, ze zorgden voor
elkaar en hadden mogelijk (beperkte) rituelen.
Niet ver van Irak, in Georgië, vinden we de oudste vindplaats
van hominiden buiten Afrika. De soort die hier gevonden werd is
mogelijk Homo ergaster of wellicht een nieuwe soort.
In het verre oosten vinden we Homo erectus. Het oordeel over
deze soort is nog niet uit. Sommigen zien hem als een doodlopend
spoor. Net als de Neanderthalers in Europa, zou Homo erectus een
van de primitieve mensen zijn die bij een vroege migratie Afrika
verlieten en later door Homo sapiens verdreven of vervangen
werden. Andere wetenschappers zien in Homo erectus de voorouders
van de oorspronkelijke bewoners van Australië, de Aboriginals.
In december van 1996 meldde een team onderzoekers van het
Berkeley Geochronology Center in Berkeley (V.S.) dat zij konden
bewijzen dat Homo erectus populaties en moderne mensen 50.000
jaar lang gelijktijdig leefden. Ze baseren hun conclusies op
dateringen die zij hebben gedaan van dierentanden die zij in
hetzelfde laag hebben gevonden als waarin 20 jaar eerder erectus
fossielen zijn gevonden. De tanden werden gedateerd op ongeveer
27,500 jaar oud Critici zeggen dat overstromingen in de regio de
erectus fossielen waarschijnlijk in een jongere laag hebben
gespoeld.



