Werktuiggebruik Werktuiggebruik is te zien bij een groot en divers aantal diersoorten. Onder de zoogdieren zijn het kapucijneraapje, de chimpansees en de zeeotters de beste gereedschapgebruikers. Alle drie proberen zij voedsel met een hard omhulsel open te kraken door er met harde objecten op te hameren. Zeeotters bijvoorbeeld kraken de omhulsels van schelpdieren open met stenen terwijl ze op hun rug in het water drijven. Kapucijneraapje gebruiken stenen om noten open te kraken. Fernandes schrijft dat de kapucijneraapjes uit de mangrovebossen zelfs oesterschelpen gebruiken als stenen niet voorradig zijn.
Er zijn veel
zoogdieren die regelmatig harde objecten als gereedschap gebruiken om
dergelijk moeilijk bereikbaar voedsel te verkrijgen. Bij sommige
Afrikaanse hominiden zien we aan het dikke glazuur dat ook zij hard
voedsel aten. Het ligt dus voor de hand dat zij, net als
kapucijneraapjes en zeeotters, veelvuldig gebruik maakten van stenen om
allerlei noten en schelpdieren open te kraken. Na verloop van tijd
begonnen zij ook stukken rots te gebruiken om botten op te kraken zodat
zij bij het merg, dat vol voedingsstoffen zit, konden komen. Met de
tijd, kunnen wij aannemen, zullen zij de diverse technieken om botten,
noten en schelpdieren open te kraken verbeterd hebben, evenals de
technieken om dit voedsel te verzamelen. Vermoedelijk zijn deze
omnivoren meer en meer gebruik gaan maken van stenen om voedsel te
vergaren. Zij zullen uiteindelijk manieren hebben gevonden om deze
stenen en andere gereedschappen bepaalde vormen te geven waardoor ze
beter geschikt werden voor hun taak. Deze gereedschappen bleken dan
wellicht ook heel geschikt voor andere taken. Men zou kunnen zeggen dat
dit het begin was van de menselijke technologie van het stenen tijdperk.
Zwemmen En Duiken Tegenwoordig zijn er nog steeds culturen die voor voedsel naar schelpdieren duiken. Het inhouden van de adem is mogelijk door een aantal kenmerken in de menselijke fysiologie. Dat deze menselijke aanpassingen zijn voor het leven in en om het water wordt duidelijk als wij ze vergelijken met andere primaten. Dit alles is aangetoond door Erika Schagatay, die werkzaam is in het fysiologisch laboratorium van de universiteit van Lund, in Zweden. Zij vergeleek onze menselijke duikreactie met die van andere zoogdieren. Het zou logisch zijn als het leven in het water, dat onze voorouders leefden, hun zwem- en duik capaciteiten sterk deden verbeteren evenals bepaalde kenmerken die bij die activiteiten van pas komen.
Alle zoogdieren die regelmatig duiken kunnen vrijwillig, voordat zij gaan duiken, diep inademen. Veel van hen, zoals dolfijnen en zeehonden, hebben daarnaast ook nog grote hersenen. Hun hersenen zijn zelfs groter dan die van de meeste landdieren van gelijke grootte.
Veel primaten, zoals gibbons en andere in bomen levende dieren, hebben
aanleg voor vocale en muzikale expressie. Zij delen deze gave voor het
maken en interpreteren van een wijd bereik aan geluiden met veel
zeezoogdieren. Wij denken dat de aanleg voor dergelijke complexe vocale
uitwisselingen in combinatie met de mogelijkheid vrijwillig adem te
halen en grote hersenen, enkele van de voorwaarden zijn voor wat wij nu
taal noemen.
Voorvaderlijke Kustbewoners In 1992 vond M. P. Singh van het Instituut voor Medisch Onderwijs en Onderzoek voor Afgestudeerden in Chandigarh, India, wat volgens hem s werelds oudste Homo fossielen zijn. In de Tatrot formatie in de Siwalik heuvels van India vond hij een erectus-achtig dij- en kaakbeen temidden van een aantal stenen werktuigen. Deze vondst werd gedaan in afzettingen uit het midden van het Plioceen, die worden geschat op ongeveer 3,5 miljoen jaar oud. De kiezen uit de onderkaak hadden kronen met afgeronde toppen. Het dijbeen was afgeplat en het merggedeelte was relatief nauw. De stenen werktuigen waren kennelijk gemaakt om mee te hakken.
Onze vergelijkende studie leidt tot de hypothese dat deze eigenschappen van Singhs vondst een typisch voorbeeld zouden kunnen zijn van een vroeg lid van het geslacht Homo, dat een groot deel van zijn tijd naar schelpdieren dook. Wij denken dus dat het waarschijnlijk is dat, terwijl de voorouders van de Afrikaanse mensapen en de australopitheken in de waterrijke gebieden van de binnenlanden van Afrika leefden, onze voorouders achterbleven bij de kust.
Het geheel aan gegevens bekijkend, denken wij dat Homo erectus-achtige
mensen vrijwel direct na de scheiding van mens en chimpansee, zon zes
tot vier miljoen jaar geleden, begonnen met het koloniseren van de
kustlijn van de Indische Oceaan. Er zijn zelfs aanwijzingen dat, tegen
twee miljoen jaar geleden, enkele van hen zo ver als Java waren gekomen.
Homo Trekt De Binnenlanden In Op de weg terug, van deeltijds zwemmers en waders naar voltijds wandelaars, hebben onze voorouders waarschijnlijk lange tijd hun voedsel in de buurt van rivieren en meren gezocht. Voordat Homo sapiens ten tonele verscheen als de lange en slanke tweebener zullen andere Homo-soorten hem in wisselende mate zijn voorgegaan. Die andere soorten zijn rudolfensis en ergaster in Afrika en erectus en neanderthalensis in Europa en Azië.
In het begin kosten hun tweebenige pas meer energie dan die van andere, vierbenige, dieren. Het was zeker een stuk langzamer. Echter door het lopen op twee benen behielden zij hun behendige handen vrij voor verdediging, jagen, het maken van werktuigen, het maken van schuilplaatsen en het verzamelen van voedsel. Het stelden hen ook in staat wapens te dragen evenals voorraden en hun kinderen, zelfs over lange afstanden.
Waren het de behendige handen, de grotere hersenen en de gesproken taal die in staat stelden verder de binnenlanden in te trekken? Was dit waarom zij in de voetstappen begonnen te treden van de gorilla's en de chimpansees die eerder al de rivierbeddingen van de binnenlanden waren gaan bevolken? Toch bleef de verticale bouw van onze voorouders beter geschikt voor waden, zwemmen en duiken. Hun unieke rechte houding kenmerkte zich door de meestal gestrekte knieën en heupen. Ook was hun rug volledig gestrekt. Deze laatste aanpassing noemt men de lende-lordose. Bij de overstap naar het land, zullen deze, voor het water gemaakte, aanpassingen hebben gezorgd voor veel rug- en gewrichtsklachten.
Toen zij de wal weer op gingen, zullen deze aparte aanpassingen de stap naar vierbenigheid te moeilijk hebben gemaakt. Misschien zijn onze voorouders daarom wel op twee benen blijven lopen in plaats van op vier zoals de voorouders van de chimpansees en gorilla's.
H. J. Deacon, archeoloog aan de universiteit van Stellenbosch in
Zuid-Afrika beschrijft de archaïsche Acheuliaanse bevolking van het
vroege Afrikaanse stenen tijdperk als zijnde "stenotopisch". Dat wil
zeggen dat zij nog steeds hun plaats hadden in de rivier- en
waterlandschappen. Hij zegt ook dat pas in het midden of zelfs het einde
van het stenentijdperk de menselijke bevolking "eurytopisch" werd, wat
betekent dat zij ongeveer zo leefden als de traditionele
jager/verzamelaarculturen in Afrika nog steeds doen.
Homo Sapiens Vandaag de dag zijn wij het enige overgebleven zoogdier dat voornamelijk, of helemaal, op twee benen loopt. Helaas lijden wij nog steeds onder veel voorkomende rug-, heup-, en knieklachten. Een aantal van deze en andere medische problemen worden tegenwoordig geassocieerd met onze tweebenige pas en verticale houding. Zoals gezegd vinden we telkens weer nieuwe manieren om gegevens over onze voorouders te verzamelen en kunnen wij met behulp van nieuwe databaseprogramma's deze gegevens beter vergelijken. Het is nu duidelijker dan ooit tevoren, hoe incompleet die database is. Toch denken we dat we een redelijke schatting kunnen maken van de veranderingen die onze voorouders hebben ondergaan in de laatste paar miljoen jaar. We noemen dit scenario soms de amfibische hypothese. Deze hypothese stelt dat de laatste gemeenschappelijke voorouders van de Afrikaanse hominiden tweebenige waders waren. Het stelt ook dat zij in wezen omnivoren waren en dat zij hun dieet, dat voornamelijk uit planten en fruit bestond, aanvulden met schelpdieren. Dan beweert de hypothese ook nog dat onze stam nabij de Afrikaanse kust bleef terwijl de voorouders van de gorilla's en de chimpansees de rivieren stroomopwaarts volgden, de binnenlanden in. Vervolgens volgt de hypothese deze homindestam door een serie aanpassingen naar een gebied met een kustachtige ecologie. Het stelt dat deze aanpassingen stap voor stap zorgden voor kleine veranderingen in onze anatomie en fysiologie. Het voorspelt een geleidelijke overgang van aanpassingen van kortbenige deeltijds waders naar langbenige wezens die hun voedsel op het land en aan de kust verzamelen.
Onze hypothese voorspelt ook een aantal zwem- en duikaanpassingen die onze voorouders in staat stelden meer en andere voedselbronnen aan te boren. Daarna anticipeert het een meer geavanceerd gebruik van stenen werktuigen om de schelpen te kraken van steeds meer kust- en weekdieren.
De hypothese bekijkt ook een aantal radicale anatomische en fysiologische veranderingen. Onder meer kijkt het naar het verlies van al onze vacht en het meeste haar van onze huid. Waarna het kijkt naar hoe deze amfibische levensstijl onze hitteafwerings- en koelsystemen dramatisch heeft veranderd. Deze gevarieerde levensstijl heeft ook ons ademhalingsstelsel aangepast in een, voor zoogdieren, unieke manier. Van ons verhemelte en ons afgedaalde strottenhoofd tot de mogelijkheid onze ademhaling zelf te regelen, deze aanpassingen deden ons verder en verder afdwalen van het standaard primaatmodel.
Onze hypothese over hoe de evolutionaire tijdlijn er uit heeft gezien is gedetailleerd genoeg om gebruikt te worden als belangrijk nieuw bewijsmateriaal. Bijvoorbeeld, we zullen waarschijnlijk meer fossielen vinden van "proto-Homos", zoals die door M. P. Singh werden gevonden. Misschien liggen zij wel verspreid langs de kuststroken van Oost-Afrika tot Java. Zo lang de tijdlijn maar klopt, kunnen deze fossielen ons helpen bij het nagaan van de aanpassingen die onze voorouders, stap voor stap, deden op weg van deeltijds waders naar lange, slanke Homoachtige duikers.
Wij verwachten bovendien dat geologen de sporen zullen vinden van mangrovebossen die, gedurende het betreffende tijdframe, langs de Oost-Afrikaanse kust verspreid lagen. Onze hypothese voorspelt zelfs dat de australopitheken de voorouders zullen blijken te zijn van de gorilla's en chimpansees. Vorderingen in het testen van DNA zou ons uiteindelijk kunnen helpen in het vergelijken en volgen van sommige van deze veranderingen in de verschillende hominide takken
Het kan dus niet lang meer duren voordat we de middelen hebben om deze voorspellingen te bevestigen of te verwerpen. De hypothese kan dus worden getest in het licht van nieuwe ontdekkingen, zodra zij zich manifesteren. Dit betekent dat het succes of de mislukking van deze hypothese de waarde zal bepalen van deze, mogelijk definitieve, theorie op het gebied van de menselijke evolutionaire geschiedenis en afstamming.
Wij zijn ons ervan bewust dat er een heleboel specialisten iets kunnen toe voegen aan de laatste tien miljoen jaar van onze geschiedenis zoals wij die nu beschrijven. Wij weten ook dat de meeste van deze wetenschappers, academici en geïnteresseerde leken hun uiterste best zullen doen om onze hypothese onderuit te halen. Door de schaarste van de gegevens, zullen wij de eersten zijn om toe te geven dat het gemakkelijk is een reden te bedenken waarom deze amfibische hypothese de tand des tijds niet zal doorstaan. Wij dagen al deze "nee-schuddende" sceptici uit om een superieure hypothese voor te stellen die alle aanwezige gegevens in acht neemt, op een manier die ons, de unieke menselijke anatomische en fysiologische kenmerken, helpt te verklaren.
-x-



