Lopen op twee benen Mensen zijn de enige zoogdieren ter
wereld die gewoon zijn op twee benen lopen. ( Het enige andere
dier dat rechtop loopt is een watervogel, de pinguïn.) Het is
niet vreemd dat tweebenigheid zo zeldzaam is. Vergeleken met het
lopen op vier benen heeft het vele nadelen. Het is langzamer,
minder stabiel, het leren ervan kan jaren duren, en bovendien
stelt het onze kwetsbare organen bloot aan vijandelijke
roofdieren. Wij lopen al vijf miljoen jaar zo, en in die tijd
zijn onze lichamen drastisch aangepast om het lopen te
vergemakkelijken, maar het is nog steeds de oorzaak van vele
ongemakkelijkheden en zelfs aandoeningen zoals rugpijn,
spataderen, aambeien, hernia's en complicaties bij de geboorte.
Het zou het leven van onze voorouders een stuk moeilijker en
arbeidsintensiever hebben gemaakt; slecht een enorme druk zou
hen hebben kunnen bewegen een manier van lopen aan te nemen voor
welke wij in beginsel niet geschikt waren.
Een hypothese was altijd dat wij mensen eerst onze grotere
hersenen ontwikkelden, daarna gereedschappen begonnen de maken
en uiteindelijk op onze achterpoten gingen lopen zodat wij onze
handen vrij hadden om wapens te dragen. Vandaag de dag weten we
echter dat tweebenigheid eerst kwam en daarna pas de
ontwikkeling van grotere hersenen en het maken van
gereedschappen.
Echter indien het leefgebied van onze voorouders overstroomd
werd zouden zij worden gedwongen om op twee benen te lopen als
zij op de bodem stonden, anders konden zij niet ademen. Het
enige dier dat ooit een bekken als het onze ontwikkelde,
geschikt voor tweebenigheid, is de reeds lange tijd uitgestorven Oreopithecus oftewel de moeras aap.
Vandaag de dag zijn er naast mensen nog twee andere primaten
die, regelmatiger dan anderen, op de grond op twee benen lopen.
De ene is de probiscis aap die in de mangrove moerassen van
Borneo leeft. De andere is de Bonobo ook wel pygmee chimpansee
genoemd; de leefomgeving van de laatste omvat onder andere grote
delen seizoensgewijs overstroomd bosland, welke zelfs nog groter
kan zijn geweest voordat het Afrikaanse klimaat droger werd.
Alle twee de soorten houden van water. Het is interessant te
weten dat bonobo's vaak paren met de gezichten naar elkaar toe,
net als bij mensen; in ons geval wordt het verklaard als zijnde
een consequentie van tweebenigheid. Het paren op deze wijze is
een ander kenmerk dat heel zeldzaam is onder land zoogdieren,
maar welke wij delen met water zoogdieren als dolfijnen, bevers
en zeeotters. Wat wij met die dieren gemeen hebben is een manier
van voortbewegen in welke de ruggengraat en de achterste
ledematen in een rechte lijn zitten, en dat heeft weer
consequenties voor de geslachtsorganen.

Pinguïns en Bonobo's
Ademhalen Het menselijke ademhalingssysteem verschilt van dat
van alle andere land zoogdieren op twee manieren. Het eerste is
dat wij onze adem bewust kunnen regelen. In de meeste zoogdieren
is deze actie onvrijwillig, net als het pompen van het hart of
de spijsvertering. Vrijwillige ademhaling lijkt een aanpassing
voor het leven in het water omdat het, behalve bij ons zelf,
alleen in water zoogdieren voorkomt als zeehonden en dolfijnen.
Als deze dieren besluiten hoe diep zij gaan duiken, kunnen zij
ongeveer schatten hoeveel lucht zij dienen in te ademen. Zonder
deze controle over onze ademhaling, is het erg onwaarschijnlijk
dat wij ooit hadden kunnen leren spreken.
De andere menselijke eigenaardigheid noemt men "de verlaagde
larynx". Een land zoogdier is meestal verplicht om vaak door
zijn neus te ademen omdat zijn luchtpijp langs de achterkant van
zijn keel loopt, het bovenste gedeelte daarvan ( de larynx )
komt uit op de achterkant van de neusholte. Een hond
bijvoorbeeld moet moeite doen om zijn larynx te verlagen zodat
hij kan blaffen, als hij ontspant gaat de larynx weer omhoog.
Zelfs onze pasgeboren baby's hebben dit. Een paar maanden na de
geboorte begint de larynx te in de keel te dalen, tot een punt
vlak onder de achterkant van de tong. Darwin vond dit heel
vreemd omdat het betekent dat de opening naar de longen precies
naast de opening van de maag ligt. Dit heeft tot gevolg dat eten
en drinken ons soms "in het verkeerde keelgat schiet". Als wij
niet een ingewikkeld systeem van slikken hadden ontwikkeld zou
dat iedere keer gebeuren. Dit alles betekent dat wij net zo
gemakkelijk door onze mond kunnen ademhalen als door onze neus.
Het is zeer waarschijnlijk dat dit een aanpassing is voor leven
in water omdat een zwemmer die heel snel een hap lucht moet
nemen, sneller adem kan halen door de mond dan door de neus. We
weten dat de enige dieren die verplicht door de mond moeten
ademen vogels zijn die veel onder water duiken zoals pinguïns,
pelikanen en meeuwen. Bij de zoogdieren zijn de enige dieren met
een verlaagde larynx, behalve wij zelf dan, waterdieren de
zeeleeuw bijvoorbeeld.

Dieren die door hun mond ademen
Andere verschillen Het is onmogelijk om in een korte schets alle
fysieke verschillen die ons van de apen onderscheiden te
behandelen, maar een paar zijn toch de moeite waard.
Bijvoorbeeld wij zweten op een andere manier dan andere
zoogdieren, wij gebruiken andere klieren. Het is zonde van de
essentiële lichaamsstoffen water en zout. Het is hierdoor erg
onwaarschijnlijk dat wij deze op de savanne hebben ontwikkeld
waar vaak een gebrek is aan water en zout. We huilen tranen van
emotie, hiervoor gebruiken wij andere zenuwen dan diegenen die
onze ogen doen tranen als er rook of stof in komt. Geen enkel
ander land dier doet dit. Er zijn echter zeevogels, zee
reptielen en zee zoogdieren die water door hun ogen naar buiten
brengen, of door speciale klieren in hun neus, als ze teveel
zeewater hebben binnen gekregen. Dit proces kan echter ook in
gang worden gezet bij grote emotionele opwinding veroorzaakt
door voeden of vechten of frustratie. Tot de huilende dieren
behoren, naast wij zelf, de walrus, de zeehond en de zee otter.
Wij hebben miljoenen vetklieren die olie over ons gezicht en
lichaam uitzweten, in jonge volwassenen zorgt dit vaak voor
acne. De vetklieren van een chimpansee worden aangemerkt als een
overblijfsel, terwijl die van ons kunnen worden aangemerkt als
zijnde enorm. Het doel hiervan is niet duidelijk. In andere
dieren is de enige bekende functie van vet het waterdicht maken
van de huid of vacht.
Het meest besproken contrast tussen onszelf en de mensapen is
dat wij grotere hersenen hebben. Grotere hersenen kan wel een
voordeel zijn geweest voor de eerste mensen, maar het zou
evengoed een voordeel kunnen zijn voor de chimpansee: de vraag
is waarom slechts een van ons zulke hersenen ontwikkeld heeft.
Een factor in dit proces kan voeding geweest zijn. Het bouwen
van hersenweefsel is, anders dan lichaamsweefsel, afhankelijk
van de aanwezigheid van voldoende Omega-2 vetzuren, deze zuren
komen heel veel voor in de voedselkring in de zee terwijl ze
zeer schaars zijn in de voedselkring op het land.
AAT is de enige theorie die op een logische wijze elk van deze
raadselachtige kenmerken met elkaar verbindt en ze koppelt aan
een enkele gebeurtenis in het verleden waar ook een goede
verklaring voor te geven is.

Huilende zoogdieren
De tijd en de plaats Het is nu algemeen aanvaard dat de
splitsing tussen mensen en mensapen tussen 7 en 5 miljoen jaar
geleden plaats vond, in een periode die wel het fossiele gat
genoemd wordt. Voor die periode leefde een dier dat de
gezamenlijke voorouder van mensen en mensapen was. Daarna
ontstond er een wezen dat kleiner was dan wij, maar dat een
onmiskenbaar kenmerk bij zich droeg van de eerste stap in de
richting van de menselijke status: het liep op twee benen. Dit
alles roep twee vragen op: "Waar werden die eerste fossielen
gevonden?" en "Weten wij ook of er daar iets gebeurd is dat er
voor gezorgd kan hebben dat wij mensen een andere evolutionaire
lijn gingen volgen dan de mensapen?"
De oudste voor-menselijke fossielen ooit gevonden ( waar ook de
meest bekende, "Lucy", toe behoorde ) worden Australopithecus
afarensis genoemd omdat hun botten werden gevonden in de Afar
triangel. [red: er zijn inmiddels nieuwe ontwikkelingen, zie
Afrika] De Afar triangel is een laaggelegen gebied vlakbij de
rode zee. Zo'n 7 miljoen jaar geleden werd dat gebied
overstroomd door de zee en werd de Zee van Afar. Een deel van de
apen populatie die toen in dat gebied leefden zagen hun
leefgebied radicaal veranderen. Sommigen van hen zouden
gesoleerd kunnen zijn geraakt op een uit de kust gelegen eiland
- het gebied wat vandaag de dag de Dankil Alpen wordt genoemd
was eens door water omgeven. Andere apen kunnen geleefd hebben
in overstroomde bossen, zout moerassen, mangrove moerassen,
lagunes of aan de kust van de nieuwe zee. In dat geval hadden
zij de keuze: aanpassen of uitsterven.

fossielen uit Afar
De AAT zegt dat enkele van hen dit alles overleefd hebben en zijn
begonnen zich aan te passen aan hun nieuwe, waterrijke,
leefomgeving. Veel later, toen de Zee van Afar door land omgeven
werd en uiteindelijk opdroogde, begonnen hun nakomelingen aan de
terugtocht naar het Afrikaanse vasteland. Zij begonnen in de
zuidelijke richting te trekken, tegen de stroom in de waterwegen
van de Grote Rift Vallei volgend. Er is niets in het fossielen
archief te vinden wat dit scenario tegenspreekt, sterker nog er
is veel wat er voor pleit. Lucy's botten werden in Afar gevonden
tussen de botten van krokodillen, de eierschalen van
schildpadden en de scharen van krabben op de rand van een
overstroomd gebied dat destijds aan de Afrikaanse kust zou
hebben gelegen. Andere, jongere, fossielen van Australopithecus
zijn zuidelijker gevonden, bijna altijd in de buurt van
prehistorische meren en rivieren. [red: het fossilatie proces
vereist dat de betreffende botten vrij snel door sediment
overdekt worden, botten die in het water terecht komen worden
door modder overdekt. Dit kan ook een reden zijn waarom zoveel
fossielen in de buurt van het water worden gevonden.]
Wij weten nu dat de verandering van aap naar Australopithecus in
een relatief korte tijd gebeurt is. Zo'n snelle verandering is
bijna altijd een teken dat de soort gesoleerd is geraakt door
een geografische barrière, bijvoorbeeld een watermassa.

De 'Ja' in de derde kolom slaat op de Bonobo's, de 'Ja' in de
vierde kolom slaat op neushoorns en olifanten
De waterrijke fase vond plaats meer dan 5 miljoen jaar geleden. Sinds die tijd heeft Homo 5 miljoen jaar de gelegenheid gehad zich opnieuw aan de passen aan het leven op het droge. Het is niet verassend dat de aanpassingen voor het water gedeeltelijk zijn weggevallen en voor lange tijd niet als zodanig zijn herkent. De sporen zijn echter nog altijd aanwezig zoals de bovenstaande tabel aantoont.

Links de Afar triangel, rechts vindplaatsen in Afrika



